Woon-werkdynamiek in Nederlandse gemeenten

Thomas de Graaff, Frank van Oort, Sanne Boschman
(2008) PLB (planbureau voor de Leefomgeving), NAI uitgevers, Den Haag

Online

Bevindingen

  • Het gebrek aan ruimtelijk gedetailleerd inzicht in de woon-werkdynamiek in Nederland vormt een belangrijke handicap in de discussies over de planningsopgave voor wonen en werken en de relatie hiertussen. De vraag of mensen gaan wonen waar de kans op voor hen geschikte banen optimaal is, of andersom – dat bedrijven zich vestigen op plaatsen waar een groot aanbod aan arbeidspotentieel is –, is kaderstellend en richtinggevend voor de planning van woningbouw- en werklocaties in Nederland.
  • In vergelijking met het buitenland stuurt het Nederlandse ruimtelijkeordeningsbeleid traditioneel zeer sterk op het woonlocatiebeleid, en in geringere mate ook op de locatie van bedrijventerreinen. De achterliggende veronderstelling is dat de werkgelegenheid de mensen zou volgen. Omdat dit in de praktijk echter te weinig gebeurde, nam de woon-werkafstand gemiddeld toe.
  • In het algemeen blijkt in Nederland in de periode tussen 1996 en 2005 inderdaad het adagium te overheersen dat werkgelegenheid zich vestigt op die plaatsen waar een groot aanbod is aan arbeidspotentieel; werken volgt dus wonen.
  • Deze conclusie verdient echter nuancering. De patronen voor woonwerkdynamiek in Nederland verschillen naar werkgelegenheidssector, naar gemeenten met en zonder Vinex-bouwopgave en per landsdeel. Dat betekent tegelijkertijd dat niet voor iedere regio of iedere gemeente eenzelfde beleid vruchtbaar is.
  • In de eerste plaats volgen niet alle soorten werkgelegenheid de bevolking. Het is vooral de verzorgende werkgelegenheid (overheid, scholen en detailhandel) die de bevolking volgt. Een gemeente die beleid voert op het aantrekken van bevolking door bijvoorbeeld woningen te bouwen, zal echter niet automatisch ook werkgelegenheid aantrekken in de stuwende en waarde toevoegende sectoren (industrie, distributie & handel en zakelijke dienstverlening). Dit kan ertoe leiden dat inwoners van die gemeente die in deze sectoren werken, te maken krijgen met een gemiddeld grotere pendelafstand.
  • In de tweede plaats geldt vooral voor Vinex-gemeenten dat de werkgelegenheid, met name die in de verzorgende dienstverlening, de bevolking volgt.
  • In niet-Vinex-gemeenten wordt de bevolking juist aangetrokken door de toename van werkgelegenheid in de verzorgende en de zakelijke dienstverlening. Hier geldt dus dat wonen werken volgt.
  • In de derde plaats geldt het adagium ‘werken volgt wonen’ op landsdeelniveau eigenlijk alleen voor de Randstad. Voor gemeenten in de Randstad leidt de aanleg van woningbouwlocaties tot extra werkgelegenheid. Zou woningbouw in de Randstad worden nagelaten, dan betekent dit op de langere termijn dat de werkgelegenheidsgroei zal afnemen.
  • In de intermediare zone is de relatie tussen bevolkings- en werkgelegenheidsgroei veel diffuser. Hier zijn beide relaties mogelijk: werken volgt wonen en wonen volgt werken.
  • In de periferie is de samenhang tussen wonen en werken niet eenduidig. Als er al iets geldt voor de perifere regio’s, dan is het wel dat ‘wonen volgt werken’. Het significantieniveau hiervoor is echter laag. Met name in de perifere regio’s geldt dus dat een beleid gericht op bevolkingsgroei, bijvoorbeeld door woningbouw, niet automatisch leidt tot economische (werkgelegenheids)groei. En een beleid gericht op werkgelegenheidsgroei, bijvoorbeeld door de aanleg van bedrijventerreinen, leidt in deze regio’s maar in zeer geringe mate tot bevolkingsgroei.
  • De woon-werkdynamiek in Nederland wijkt af van die in andere landen, waar zowel geldt dat ‘wonen volgt werken’ als dat ‘werken volgt wonen’. Dat komt vooral doordat er in Nederland veel restricties bestaan op de woonlocatiekeuze, met name in de Randstad. Doordat bedrijven (voornamelijk in de verzorgende en zakelijke dienstverlening) relatief meer ruimtelijke keuzevrijheid hebben dan de bevolking, zal de werkgelegenheid in de Randstad de bevolking vaker volgen dan andersom. Buiten de Randstad heeft de bevolking minder restricties op de woonlocatiekeuze; daar is de bevolking eerder geneigd zich ergens te vestigen waar veel (aantrekkelijke) werkgelegenheid is.